Vanaf 1 januari 2010 zal er een Defensie Duikschool (DDS) zijn in Den Helder. Hierdoor zullen voortaan de duikopleidingen vanuit Den Helder gegeven gaan worden. De genieduikers zijn in het verleden voor het grootste gedeelte opgeleid op Fort Crèvecœur (FCC) in Den Bosch. In de komende alinea’s zal de geschiedenis van de duikschool van de genie worden besproken.
Het fort dat in 1587 in de Tachtigjarige Oorlog als (eerst nog naamloze) schans was gesticht door het Staatse leger onder Filips van Hohenlohe om het de Habsburgse stad Den Bosch zo lastig mogelijk te maken. De Bosschenaren noemden het ‘’Fort Hartepijn’’. Het werd door de Bosschenaren zo genoemd (letterlijk 'hartzeer'), omdat het als het ware de doodsteek voor de stad betekende. Bezetters konden hiermee immers de aan- en afvoer van schepen beletten of controleren. In het verre verleden heeft FCC vijandelijke scheepsvaart geblokkeerd naar Den Bosch en naar het Noorden. Nadat het fort door de graaf van Hohenlohe in 1587 was gesticht, werd het korte tijd later alweer geslecht door zijn eigen legers. Maar nadat de restanten van de schans in handen waren gekomen van de Spaanse troepen, werd het fort al spoedig herbouwd en uitgebreid in 1589. Na een jaar kwam het fort weer in Staatse handen onder leiding van prins Maurits. In 1593 werd het fort tevergeefs belegerd door Spaanse troepen onder de graaf van Mansfeldt. Zes jaar later lukte het de Spanjaarden onder Mendoza het fort te veroveren, echter maar voor één jaar, want in 1600 verscheen Maurits met zijn legers en nam het weer in bezit na hevige beschietingen vanaf het land en het water. Het fort werd vervolgens uitgebreid met een totaal van zeven bastions.
Tijdens het beroemde beleg van 's-Hertogenbosch in 1629 was Fort Crèvecœur een belangrijk knooppunt in de bevoorrading van de Staatse legers. Het werd bewaakt door de soldaten uit het leger van de graaf van Solms die gelegerd waren op de nabijgelegen schans van Engelen. Na de Tachtigjarige oorlog volgende een korte periode van rust totdat in het rampjaar 1672 de Franse legers van maarschalk Turenne fort Crèvecœur belegerden. Na enkele dagen dapper verzet, werd het fort aan de vijand overgegeven. De Fransen hebben het fort bezet tot hun terugtocht in 1673 waarbij ze het vestingwerk grotendeels met de grond gelijk maakten, uitgezonderd een soldatenkerkje op het fort. Kort na 1698 werd Fort Crèvecœur opnieuw leven ingeblazen toen de bekende vestingbouwkundige Menno van Coehoorn een nieuwe zuidelijke verdedigingslinie had ontworpen tussen Bergen op Zoom en Grave. Dit "zuidelijk frontier" werd gevormd door een stelsel van forten, versterkte steden en inundatiegebieden (gronden die bij oorlog onder water konden worden gezet). Fort Crèvecœur werd herbouwd en vervulde een belangrijke taak bij de inundatieplannen. Tevens werd het genoemde kanaal en de schutsluis in het fort opgenomen voor de scheepvaart naar de Dieze als de omgeving onder water zou worden gezet. Omstreeks 1735 waren de werkzaamheden gereed. Het fort bestond uit 7 bastions: vijf westelijk van de sluis, twee oostelijk. Op het terrein bevonden zich het eerder genoemde kerkje, twee wachthuizen, vier kruitmagazijnen, een commandeurshuis, een woning voor sluiswachters en een aantal kazematten.
Aan het eind van de 18e eeuw werd het fort, na vele jaren achterstallig onderhoud, hersteld. In 1794 werd Fort Crèvecœur veroverd door de Franse legers van Pichegru. Na de Franse tijd werd het fort regelmatig veranderd in de 19de en 20ste eeuw. Zo werd het aantal bastions aan westzijde van de sluis teruggebracht van vijf naar drie en veranderde de omgeving drastisch na de aanleg van de spoorlijn Utrecht-'s-Hertogenbosch pal ten oosten van het fort. Na 1866 verloor het fort zijn classificatie en strategisch nut. Het behield echter wel zijn militaire bestemming. In 1944 werd het zwaar beschadigd tijdens de bevrijding van 's-Hertogenbosch, waarbij de meeste vroegere gebouwen op het fort werden vernietigd. Toch zijn nu nog diverse onderdelen bewaard gebleven, zoals kazematten en kruithuis die een afspiegeling vormen van de interessante geschiedenis van het fort.
Een deel van het gebied is in handen van het Ministerie van Defensie en niet toegankelijk voor publiek. Het oefenterrein wordt gebruikt door de genie. Het heeft een haventje aan de Maas en een apart haventje aan de overkant van de Rijksweg Den Bosch - Hedel. Tijdens de Koude Oorlog was de Maasoever van het fort zo ingericht dat er snel een (ponton-)brug geslagen kon worden in geval de verkeersbrug bij Hedel door de vijand vernietigd zou worden. Om dekking te bieden tegen luchtwaarneming voor de lange rijen transportvoertuigen die dan zouden staan te wachten voordat ze de noodbrug over konden, liet men het terrein maar zoveel mogelijk verwilderen, zodat er uiteindelijk een waar woud aan bomen en struiken stond. In het begin van de jaren negentig zijn die weer grotendeels gerooid; het binnenterrein is nu grotendeels een kale vlakte
Al tussen de eerste en de tweede wereldoorlog werd er gedoken door de genie. De organisatie kon de zeegaten in Zeeland afsluiten met behulp van mijnen die aan de bodem werden verankerd. Opslag van deze mijnen vond plaats in Hellevoetsluis Deze duikers werden torpedisten genoemd. Zij werden o.a. ook ingezet bij de aanleg van de afsluitdijk. Zij ruimden wrakken van vissersvaartuigen op, die in de aanleg van de dijk belemmerden. De wrakken werden met explosieven in stukken gesprongen en met ter plaatse aanwezige keileemgrijpers verwijderd. In het boek “De Nederlandse strijdmacht en hare mobilisatie”, geschreven door J. Kooiman, werd vermeld dat deze duikers een zekere faam hadden om hun vakmanschap. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden door hen geen acties ondernomen.
Het standaardpak waarmee zij in 1931 hun werkzaamheden uitvoerden, bestond toen bijna 100 jaar. Het werd in 1839 voor het eerst ingezet voor de berging van de ‘Royal George’, een belangrijk oorlogsschip dat even buiten Portmouth was vergaan. De werkzaamheden stonden onder leiding van ene mr. Paisley, een genieofficier. Een leuk feit, waarmee je onze marinecollega’s op de kast kunt krijgen. Het pak werd dus over een periode van 150 jaar succesvol gebruikt. Alles wat met duiken te maken had werd bijna over deze gehele periode gefabriceerd door de Engelse firma Siebe Gorman. Zij leverde ook de wollen onderkleding die onder het pak werd gedragen: een trui, een broek, een stel sokken en het befaamde rode mutsje, dat het symbool voor de duikers werd. Er gingen in de vijftiger jaren hardnekkige geruchten dat er in het Britse leger, dat bij het einde van de oorlog Duitsland binnenviel, een speciale genie-eenheid was ingedeeld met de taak de Dragerwerken in Sleeswijk Holstein, de enige serieuze medespeler op het gebied van duikapparatuur, te vernietigen. Het is echter niet doorgegaan omdat de race op Penemünde, waar de Duitse raketten werden vervaardigd, een veel hogere prioriteit had. Inmiddels is Siebe Gorman al jarenlang van de markt verdwenen en bemoeit Drager zich nog maar voor een klein deel met duikapparatuur.
Een andere taak waar de genieduikers veel werk aan hadden was het verwijderen van munitie die aan het einde van de Tweede Wereldoorlog in het water was gegooid om er maar van af te zijn. De vindplaatsen waren over het hele land verspreid. Het langst werkten de genieduikers in het oude fort Renauwen. Nadat Defensie het fort aan de Universiteit van Utrecht had verkocht, werd er munitie gevonden en de genieduikers werden ingezet om dat op te ruimen. Een karwei dat maanden heeft geduurd. Op sommige plaatsen lag de munitie meters dik op elkaar. Je vond er alle soorten: oude Hollandse munitie, veel Duitse munitie verpakt in kratten met de afgetekende pakbonnen uit munitiefabrieken in Berlijn, Engeland, Amerika en Rusland. Losgestorte munitie voor handvuurwapens in enorme hoeveelheden. De munitie werd op de wal gezeefd en schoongespoten. Daarna werd alles afgevoerd voor vernietiging door de EOD. De genieduikers kenden al deze mensen, want elke beroepsonderofficier/duiker kreeg een volledige EOD-opleiding. Andere plaatsen waar aanzienlijke hoeveelheden werden gevonden waren o.a. Tynaarlo waar een complete Oorlogs Munitie Uitrusting van een infanterie bataljon werd gevonden en Deurne, waar een grote hoeveelheid Teller- en Riegelmijnen werd gevonden.
Op grond van de gevarieerde inzet van duikers gedurende de Tweede Wereldoorlog, werd in 1948 door de Landmachtstaf besloten een nieuwe duikereenheid op te richten, ressorterend onder de genie. Commandant van deze eenheid was majoor Brugma, een voormalig genieofficier van vòòr WOII. Na afloop van de oorlog was hij als marineofficier betrokken geweest bij het opruimen van mijnen in Nederland en het toenmalige Nederlands Indië. Het onderdeel werd gevestigd in Dordrecht. Vanaf ± 1950 was de taak van de genieduikers om de vaarwegen tussen Rotterdam en Duitsland toegankelijk te houden voor de scheepvaart. Dit in verband met de Koude Oorlog. De Amerikanen konden op die manier hun materiaal via de Rotterdamse haven naar Duitsland vervoeren. Voor deze taak had men genieduikers met het Siebe Gormann helmpak en duikers met een rebreather. De helmduiker verrichtte werkzaamheden bij het ruimen van - mogelijk door oorlogsgeweld - ingestorte bruggen en deed reparaties aan beschadigde sluizen of havens. De zuurstofduiker ruimde munitie en kreeg naast zijn duikopleiding een opleiding bij de EOD in Culemborg.
Enige jaren later kwam de duikerschool naar Geertruidenberg in de Marktkazerne, inderdaad gelegen aan het Marktplein van het stadje. De opgeleide duikers werden overgeplaatst naar het 112 Geniebataljon, gelegerd in de Pontonnierskazerne te Keizersveer. Er kwam personele versterking van de marine in de personen van kapitein De Roo en sergeant-majoor Goemaat. Beiden liepen in het begin in marine-uniform. Zo zie je maar, het is niet de eerste keer dat we met de marine te maken hebben. De bij de stafcompagnie van het geniebataljon ingedeelde duikers werden in feite opgeleid voor de 901 Torpedistencompagnie, ingedeeld bij de 460 Geniegevechtsgroep. Deze gevechtsgroep maakte deel uit van de territoriale sector, die in geval van mobilisatie zou worden opgeroepen. Eind 50-er jaren werd de duikerschool verplaatst naar Gorinchem en werd de Marktkazerne afgestoten. Enige tijd later werden ook de parate duikers overgeplaatst naar Gorinchem en vonden de duikactiviteiten plaats in de vluchthaven. In de 60-er jaren werd het Genie Opleidingcentrum opgericht en werden alle onderdelen, waaronder ook de duikerschool, overgeplaatst naar Vught.
Vanaf de oprichting in 1948 tot eind 60-er jaren van de vorige eeuw werden er met of zonder de Rijksvaartuig 29 (RV29) veelvuldig civiele duikwerkzaamheden uitgevoerd. Er was vlak na de oorlog veel te doen en er waren niet voldoende duikbedrijven om alles aan te pakken. Zo verrichtten genieduikers werkzaamheden bij de bouw van de IJtunnel, de Rotterdamse metro, de Deltawerken en tal van andere projecten waarbij explosieven geruimd moesten worden. Er werd toen regelmatig gedoken met het P-pak ‘’Port Pack’’ omdat deze duikuitrusting, ook van Siebe Gorman, hoofdzakelijk werd ingezet voor het ruimen van invloedsmijnen in zeehavens. De ontstekers van deze mijnen reageerden op magnetische- en akoestische signalen. Om die reden maakte men duikuitrustingen die deze signalen niet uitzonden. De uitrusting was non-magnetisch en non-akoestisch en doordat gebruik werd gemaakt van nitrox 75/25 kon ook in diepere zeehavens worden gedoken zonder dat decompressie nodig was. Het gas, dat in twee flessen op de rug werd gedragen, stroomde via een ventiel in een contralong waar de duiker uit ademde. In het ventiel was een z.g. restrictor aangebracht die moest voorzien in een constante gasstroom. Het ingeademde gas werd bij de uitademing ontdaan van de CO2 door binding aan een CO2-absorbent. Wanneer de restrictor was ontsteld en onvoldoende gas doorliet, kon met behulp van een bypass kraan extra gas in de long worden geblazen. De long werd dan opgeblazen tot een groter volume. Als dat een paar keer werd gedaan zonder de contralong volledig te verversen veranderde het gas in de long van samenstelling. Het zuurstofpercentage daalde onder het vereiste minimum en de duiker raakte bewusteloos. Dat is menige genieduiker overkomen, gelukkig zonder een fatale afloop. Eind 60-er jaren stopte men met gebruik van deze uitrusting. De pakken van de uitrusting werden gemodificeerd door er een dragerkap op aan te brengen en als persluchtduiktoestellen te gebruiken. Deze dunne maar sterke pakken bestonden uit twee delen, voorzien van een rubber schort. De twee schorten werden ter hoogte van de middel samen strak opgerold en als dat goed gebeurde was dat nog waterdicht ook. Maar hoe degelijk het materiaal ook was, aan alles komt een eind en zo langzamerhand kon je niet meer praten over een inzetbare eenheid.
Een andere grote gebeurtenis vond plaats op 12 juni 1967 waarbij het met munitie geladen Rijksvaartuig 36 in de Kernhaven te Utrecht explodeerde. Er vielen twee doden, talrijke gewonden en er was enorme schade aan de in de omgeving gelegen bedrijfspanden. De kade waar het vaartuig lag afgemeerd was gedeeltelijk weggeslagen. Het ongeval deed zich voor bij het laden van afgekeurde munitie. Er brak om onverklaarbare redenen brand uit. De bemanning heeft nog een poging gedaan deze te blussen, maar moest zich ijlings uit de voeten maken toen blussen niet mogelijk bleek. Na de explosie lag scherpe munitie her en der verspreid, een deel op de bodem van de Kernhaven. Het schip lag ook in delen onderwater. Daarnaast werden een aantal delen, waaronder het gehele achterschip, op de wal geslingerd. Er werd onmiddellijk begonnen met het opruimen van de munitie. Dienstplichtige genieduikers zochten hiervoor systematisch de bodem van de Kernhaven af. De hele operatie stond onder leiding van een brigadegeneraal van de Technische Dienst. Die vond dat de berging van het geëxplodeerde vaartuig door een civiel bergingsbedrijf moest worden uitgevoerd. Maar na dagelijkse berichten in de media over de gevaarlijke staat van de scherpe munitie en wellicht ook de zeer grote mediabelangstelling, waren die niet bereid hier hun handen aan te branden. De teleurgestelde generaal kon niet anders dan het al eerder gedane aanbod te accepteren om de berging met behulp van de RV29 te laten uitvoeren. Aan de voorzijde van het wrak werden onderwater met een snijbrander gaten in het wrak gebrand, eerst werden ter plaatse alle op munitie lijkende voorwerpen verwijderd, vervolgens werden hierin sluitingen met staaldraad stroppen aangebracht. Via de koprollen en de bergingslier van het vaartuig werd het wrak zo ver als mogelijk boven water gehesen. Boven water werden nieuwe gaten voor sluitingen gebrand en, nadat het wrak op deze wijze voor terugglijden was geborgd, werd het boven water getrokken deel langs de waterlijn doorgesneden en met behulp van de giek overgeslagen naar de wal, Vervolgens werd dit proces herhaald net zo lang tot het gehele wrak was verwijderd. Dit alles werd binnen anderhalve dag uitgevoerd. Voordat met snijbranden werd begonnen, werd het betreffende wrakdeel grondig schoongespoten.
Naast Defensie is ook de civiele markt zich gaan ontwikkelen. Er ontstonden duikbedrijven met door de genie opgeleide duikers, die op een gegeven moment op grond van een concurrentiebeding eisten dat de genie met civiele werkzaamheden zouden stoppen. Ondanks het concurrentiebeding hebben de genieduikers nog vele jaren veelvuldig steun verleend aan gemeenten om drenkelingen op te sporen of brandkasten en andere gestolen waar uit het water te halen. Dit gebeurde met dienstplichtige soldaten, die daarbij echter een grote inzet vertoonden. Onderweg naar de bestemming kon je ze uitstekend motiveren, door uit te leggen dat het vinden van het slachtoffer van zeer grote betekenis was voor de nabestaanden. Later, toen er bij de brandweerkorpsen duikers werden ingedeeld, mochten we deze werkzaamheden niet meer uitvoeren. Veel later, toen we al beschikten over modern duikermaterieel, verdronk er een jongen in de Oosterplas in Den Bosch. De brandweer was dagen in de weer, maar kon de jongen niet vinden. Dagenlang belden mensen uit Den Bosch de genieduikers op of wij niet wilden komen, het mocht echter niet. Uiteindelijk werd dit te gek. Sergeant-majoor Rademaker werd erbij geroepen of hij er voor wilde zorgen dat de jongen gevonden werd. Hij oefende enige tijd op het droge, met een lange sliert van duikers die met buddylijnen aan elkaar waren verbonden. Binnen 20 minuten werd het slachtoffer gevonden en het Brabants Dagblad weidde er een omvangrijk artikel aan. De dag erop werd de commandant van de genieduikers, dhr. W. Hydra, vanuit Den Haag gebeld met de al verwachte berisping. Zijn enige verweer was dat het optreden van de genieduikers de band met de burgermaatschappij zeker had verbeterd, wat uiteindelijk werd geaccepteerd.
In de 70-er jaren werden door NAVO-troepen op grote schaal amfibische pantserrupsvoertuigen aangeschaft, met als doel vanuit de beweging rivieren in de Noord-Duitse laagvlakte te kunnen oversteken. Een Brits/Amerikaans onderzoek in het operatiegebied wees echter uit dat zonder verkenningen en aanvullende onderwatersteun dergelijke operaties voor een groot deel gedoemd waren te mislukken. Deze studies leidden ertoe dat er een behoefte was aan speciaal hiervoor opgeleide duikers , ‘de onderwaterverkenner’. Kort daarop kreeg ik de eervolle opdracht een onderzoek in te stellen of iets dergelijks mogelijk was. Gelukkig voor dit project diende binnen onze duikorganisatie sergeant duiker Rob Rademaker, die zijn carrière was begonnen bij de marine en daar had deelgenomen aan de marine kikvorsploeg van het Korps Mariniers. Daarnaast was hij in 1959 betrokken geweest bij de opleiding van de eerste mariniers de lnt Peters en kap Rudolfhy, de latere generaal der Mariniers. Hij was tevens een fanatiek sportduiker, die wist waar de grenzen van niet aangelijnde SCUBA-duikers lagen. Met een geïmproviseerde uitrusting slaagde hij erin twee duikers, verbonden met een buddylijn, een stromende rivier over te laten steken. Het was noodzakelijk om van deze techniek gebruik te maken, omdat voor een succesvolle verkenning een beoordeling van de oever aan vijandzijde uitermate noodzakelijk was. Het concept wekte van het begin af aan grote weerstand op, maar bleek in de praktijk een groot succes. In de loop der tijd werden duizenden oversteken gemaakt op allerlei rivieren zowel bij dag als bij nacht en geleidelijk verstomde de kritiek. Het duiken met een onaangelijnde SCUBA-duiker is binnen het beroepsduiken in de civiele sector aan allerlei beperkende voorwaarden blootgesteld.
Toen bleek dat deze inzet in principe mogelijk was, moest een volledige reorganisatie plaatsvinden. Het bedrijf werd totaal vernieuwd. Niet alleen moest er nieuw duikermateriaal komen, maar ook instructiehulpmiddelen moesten worden aangeschaft. Een belangrijk punt van onderzoek was het duikerpak. De op dat moment bij sportduikers populaire natte pakken, leken niet geschikt voor militaire duikers, gezien de primitieve omstandigheden waarbinnen verkenningen moesten worden uitgevoerd. Het Noorse bedrijf Viking maakte droge duikerpakken, voorzien van een inflatoraansluiting voor het persluchtduiktoestel en een overdrukventiel. Deze pakken leken bij uitstek geschikt, wat na aanschaf ervan uitgebreid is gebleken. De Nederlandse Genie was de eerste partij die na de Scandinavische landen deze pakken in grote aantallen aangeschafte; het was een internationale doorbraak. De pakken werden gebruikt in combinatie met persluchtduiktoestellen van Drager, volgelaatsmaskers en Dragerkappen van dezelfde firma, maar later ook met het wereldwijd gebruikte bandmasker en de free flow helm.
Tijdens de Koude Oorlog was er behoefte om in het kader van de vertragende en verdedigende gevechten duikers op te leiden die in staat waren amfibische tanks op vrije rivieren en waterlopen te laten oversteken. Deze taak moest in ongeveer 30 minuten geschieden over een breedte van 14 meter. Tanks hadden geen problemen om het water in te gaan maar er uitkomen was iets anders, de hellingshoek van de oever mocht niet te steil en niet te drassig zijn. Ook grote voorwerpen en bommen en mijnen konden een belemmering zijn, dat zou zwaar werk worden omdat er in de IJssel en de Weser een zeer sterke stroom staat. Daarnaast moesten de verkenningen vaak bij donker gebeuren. Met een ploeg van 6 man zijn de genieduikers daar op gaan oefenen. In het begin met de befaamde duikeruitrusting Loos-Co sets dubbel acht 200 bar met volgelaat maskers. Daarnaast werd een Secumar reddingsvest gebruikt en werden er kompassen aangeschaft. Oftewel de genieduikers konden zich als training weer botvieren met het oppervlakte-zwemmen en kompas zwemmen. Het geleerde van de kikkerploeg in 1957 bij de marine kwam weer van pas, vanuit de sportduikwereld heeft sergeant-majoor Rademaker de Franse reddingsmethode en de Engelse rescue geïntroduceerd. Dat kon omdat hij de moeite had genomen om bondsinstructeur bij NOB te worden, zo zie je dat ook sportduiken nut kan hebben. Ook aan het onderwater uittrimmen met natte en droge pakken werd veel aandacht besteed, wat later van toepassing kwam met het duiken uit de natte bel met het Viking pak en de Kirby uitrusting. De genieduikers kregen een nieuw product en succes bleef niet uit. We waren in staat binnen 30 minuten die rivieren met 7- meter lijnen en in buddy systeem over te steken en eerst aan vijandelijke zijde en dan aan de eigen zijde de verkenningen te doen die nodig waren en dat over een breedte van 14 meter. We kregen nieuw materiaal dat op dat moment voor ons het meest geschikt was van het merk Drager met uitstekend volgelaat maskers zonder mondstukken die het praten mogelijk maakten via een draadloze onderwatercommunicatie, waarmee dan op de wal verkenningsrapporten werden opgemaakt en groen licht gegeven kon worden om de tanks veilig te laten oversteken.
Doordat door de duikers veel lichamelijke en mentale arbeid verricht moest worden, werd ook de opleiding aangepast. Deze duurde ongeveer 8 weken met veel oppervlaktezwemmen, looppassen, reddingmethoden en kompaszwemmen over de rivieren. De eindoefening vond plaats vlak achter de stuw bij Lith waar het altijd sterk stroomde en duurde een week. De genieduikers gingen vaak in de nacht door, dat gebeurde vanuit een bivak bij de stuw van Lith waar geslapen werd in pubtenten en waarbij o.a. slotenmarsen werden uitgevoerd. De genieduiker moest deze opleiding halen om goed als onderwaterverkenner te kunnen functioneren. Later werden de beste onderwaterverkenners opgeleid als bergingsduiker. De meeste duikers die opgeleid werden waren dienstplichtigen, die vrijwillig duiker wilden worden en later vaak in de burgermaatschappij als duiker aan de slag gingen. Ongeveer 80 procent van de geslaagden ging naar het duikerpeloton, gevestigd op de Prinses Margrietkazerne in Wezep.
In begin jaren 90 verdwenen de dienstplichtig duikers. Als Koninklijke Landmacht hadden we daardoor opleidingscapaciteit te veel en de industrie zocht, i.v.m. met de nieuwe regelgeving, opleidingsplaatsen. Hierdoor ontstond de samenwerking tussen duikindustrie en de Koninklijke Landmacht, waarbij het Nationaal Duikcentrum (NDC) – een door de minister aangestelde instantie - de belangen behartigde van de individuele duiker.
In 1985 werd de duikeropleiding van het toenmalige Genie Opleidingscentrum opengesteld voor civiele kandidaten. Door deze samenwerking veranderde in de loop der jaren veel aan de opleiding. De opleiding werd steeds meer industriegericht. In de duikindustrie werken op alle niveaus veel door de genie opgeleide duikers waardoor er veel feedback is. Het voordeel van de samenwerking met het NDC is dat we de regelgeving, waar we via het NDC ook invloed op kunnen uitoefenen, op de voet volgen met als direct gevolg de aanpassing van materiaal en procedures aan de nieuwste regels en technieken. Mede daardoor werd eind jaren 80 opdracht gegeven voor het bouwen van het RV50 met zijn duik- en wetbell systeem en werd bij het SSE duiken overgestapt van constantvolumepak op moderne helmen en bandmaskers.
Een gevolg was ook dat er een aantal specifieke militaire aspecten uit de opleiding verdwenen, zoals het oversteken van rivieren, demolitie en verkenningen. Ook werd er minder gedaan aan de fysiek component van de genieduiker en meer aan regelgeving en theorie. De nadelen van dit minder militair opleiden is opgelost door de duiker na de Cat A en B een militaire functieopleiding te geven met daarin alle militair aspecten van het duiken bij de genie.
Vanuit de burger offshore bedrijven werd de vraag aan ons gesteld om een escape-opleiding te geven aan foto lassers die in een kofferdam moesten werken. Als de kofferdam door een of andere reden vol zou lopen, moesten ze door een luik in de kofferdam kunnen ontsnappen op ongeveer 5 meter diepte. Die cursus moest drie dagen duren en we deden dat in ons duikbassin door met lijnen en rubber matten een donkere ruimte te creëren. Ze konden maar door een uitgang eruit. Ze kregen les in het masker op- en afzetten en gewenning zonder masker onder water. Met zwemvliezen zwemmen was niet belangrijk daar ze alleen maar snel moesten kunnen ontsnappen door een luik. Ze kregen van ons een paar Pi-laarzen met wat lood en een Secumar reddingvest en werden dan onder de rubbermatten geleid zonder een masker op. We verwarden ze ook in de touwen en op een geluidsignaal moesten ze proberen er onderuit te komen, uiteraard in het bijzijn van een duiker voor de veiligheid. Het werd door de meeste deelnemers als zeer heftig beschouwd, maar wel zeer leerzaam voor eigen veiligheid in het geval er iets mocht gebeuren.
Vanuit het leger werden er grensverleggende activiteiten (GVA) georganiseerd, vooral bedoeld voor leerlingen van de Koninklijke Militaire Academie (KMA) en Koninklijke Militaire School (KMS). Men kon kiezen tussen parachutespringen, bergklimmen en/of duiken. Dat GVA-duiken moest toen op touw worden gezet en de bedoeling was om in een week tijd de leerlingen tot een 3e klas NOB-brevet te brengen, wat later het 1-sters brevet werd. Materiaal werd aangekocht, zoals de basisuitrusting, natte pakken en 12 liter flessen. Als trim- en als redmiddel de trimvesten en later stabiliseer jackets, alles van het merk Scubapro. In het begin werd dat beoefend in Hank, een grote plas bij de Biesbosch. Later deden we dat in Scharendijke in Zeeland. Door constant volgens het boekje te trainen, lukte het om 80 procent te laten slagen. Door de grote inzet en aanwezigheid van de instructeurs, werd de veiligheid nooit uit het oog verloren en stond deze hoog in het vaandel. Er werd altijd met boeien gewerkt en een jackstay uitgelegd op verschillende diepten waarop ze gelijk met hun kompas konden oefenen. Dat kompasoefenen deden we ook op de kant, al lopend met een tas over het hoofd zodat ze alleen het kompas konden zien. Oorproblemen kwamen ook regelmatig voor, maar door zorgvuldig daarmee om te gaan - zoals voor en na het duiken zure vette oordruppels te gebruiken - bleven excessen uit. Al deze soorten opleidingen deden goed aan onze kaderleden. Zeer zeker daar waar het om trimmen en reddingsmethoden ging, wat later weer van pas kwam met de invoering van de natte duikklok.
Naast de invoering van de natte duikklok stond de duiktechniek niet stil. Er moesten o.a. draadloze communicatieapparatuur en HD-compressoren worden aangeschaft. Door de wetgeving die binnen het kader van de Arbo-wet ontstond, moesten de onderdelen ook beschikken over compressietanks. Er werd een indoorduikbassin gebouwd, waar allerlei basishandelingen in konden worden geoefend. Voor een gebrek aan lesruimte werd voorzien door de bouw van een drijvend platform ‘’de Ark’’, waarin, buiten lesruimten, ook bureaus in werden ondergebracht. Tevens was deze ook nog voorzien van een klein duikplatform en magazijn. Voor deze geheel nieuwe duiktechniek moest worden beschikt over nieuwe voorschriften o.a. handelend over de natuurkundige- en fysiologische aspecten van het duiken, decompressiemethodieken en de werkingsprincipes van persluchtduikapparatuur.
Zoals bij het begin van het stuk werd vermeld zijn de genieduikers weer een nieuwe weg ingeslagen. Binnen Defensie wordt steeds meer ‘joint’ opgeleid en opgetreden. De genieduikers zijn druk bezig om de Defensie Duikschool te Den Helder te laten slagen. Het convenant tussen de Koninklijke Landmacht en het Nationaal Duikcentrum is beëindigd en het NDC heeft een nieuw convenant afgesloten met de Koninklijke Marine, die aan het hoofd staan van de DDS. Daarnaast is het duikerpeloton opgesplitst in constructieduikers en onderwaterverkenners. Op dit momnet ziet het ernaar uit dat het duikerpeloton met de constructieduikers begin 2011 naar het Engelse Gat gaat verhuizen. Tegelijkertijd wordt er een pilot gedraaid bij 11 Gncie LMB om daar onderwaterverkenners onder te brengen. Het is te zien dat de genieduikers continu in beweging zijn.
Oftewel wordt vervolgt!!
Deze tekst is tot stand gekomen met dank aan de heer W. Hydra en de heer R. Rademakers, twee belangrijke grondleggers van de genieduikers.